Pijnlijke termijnoverschrijding inschrijving echtscheidingsbeschikking.

4.2
In artikel 1:163 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de echtscheidingsbeschikking haar kracht verliest indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Aldus wordt de rechtszekerheid gediend.

4.3
Krachtens het bepaalde in artikel 820, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan, indien een echtgenoot slechts hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing omtrent nevenvoorzieningen, de andere echtgenoot na het verstrijken van de voor het instellen van het hoger beroep of na berusting geen hoger beroep meer instellen tegen de uitspraak voor zover daarbij een verzoek tot echtscheiding is toegewezen. In de onderhavige zaak is de beschikking van 20 april 2016 in kracht van gewijsde gegaan op 20 juli 2016, de dag waarop de beroepstermijn is verstreken.

4.4
De zes maanden termijn van artikel 1:163 lid 3 BW is met inachtneming van het voorgaande op 20 januari 2017 verstreken. Op dat moment heeft de echtscheidingsbeschikking haar kracht verloren. Nu de echtscheiding geen onderdeel is geworden van de strijd in hoger beroep en zijdens de man in zijn verzoek in hoger beroep ook nadrukkelijk is verzocht de bestreden beschikking uitsluitend te vernietigen voor zover deze de bepaalde nevenvoorziening betreft, bieden wet noch jurisprudentie een ander aanknopingspunt voor de ingang van de voornoemde termijn van zes maanden.

4.5
Bij in rechtsoverweging 2.4 vermelde berichten die bij het hof zijn ingekomen op 8 maart 2017, hebben partijen het hof desgevraagd laten weten dat de echtscheidingsbeschikking van 20 april 2016 niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts heeft de vrouw haar incidenteel hoger beroep ingetrokken.

4.6
Gelet op het voorgaande is er geen sprake (meer) van een echtscheiding of een procedure daartoe, zodat de rechtsgrond voor en belang bij een behandeling van de nevenvoorzieningen als verzocht ontbreken.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1388