Vader heeft digitaal gezamenlijk gezag aangevraagd met gebruikmaking van de digid-code van moeder zonder haar toestemming.

De moeder beroept zich erop dat zij niet wist van het voornemen van vader om via digitale weg het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te regelen met gebruikmaking van haar DigiD-code, waarover hij beschikte. Moeder stelt dat zij ook nooit zou hebben ingestemd met gezamenlijk gezag omdat voordien al meermalen onenigheid tussen partijen had plaatsgevonden naar aanleiding van vaders mededeling dat hij het kind naar eigen inzicht zou kunnen meenemen.

De rechtbank acht de lezing van de moeder, dat zij niet heeft ingestemd met gezamenlijk gezag, aannemelijk. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

De rechtbank gaat er van uit dat voormelde brief van 20 maart 2016 met het - eenduidig geformuleerde - verzoek tot nietigverklaring van het gezamenlijk gezag, mede is ondertekend door de vader. Onder dat verzoek is immers een akkoord verklaring met zijn naam opgenomen en de handtekening die daarbij staat, vertoont voldoende sterke overeenkomsten met de handtekening op het paspoort van de vader, waarvan een kopie is overgelegd bij het verzoekschrift.

Nu vader voorts niet ter zitting is verschenen en evenmin op andere wijze verweer heeft gevoerd, leidt de rechtbank uit voormelde omstandigheden af dat een en ander is gegaan zoals moeder stelt, te weten dat de vermelding van het gezamenlijk gezag tot stand is gekomen zonder toestemming van moeder, zodat geen sprake is van een gezamenlijk verzoek als bedoeld in artikel 1:252, lid 1, BW.

Rechtbank Oost-Brabant, 31 maart 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:1930